zondag 13 juli 2008

13.07.2008: dag 363: Tupiza


Zoals de Here gewild heeft, gehoorzamen wij vandaag stipt aan zijn gebod dat de zondag een rustdag heet te zijn. Ongewild laat ontwaken heeft ons echter de zondagsdienst in de kerk doen missen. Het is opmerkelijk stil in het al zo rustige Tupiza. Straten zijn leeg en op de lommerrijke plaza verpozen dorpelingen in de weldadige middagzon.
Wij houden een lang ontbijt: het buffet mag slechts één keer aangesproken worden op straffe van een extra toeslag. De meisjes die de bediening verzorgen zijn onverschillig en apatisch naar onze vraag voor verse broodjes: ze dateren van gisteren, zijn droog en keihard, beloofde eitjes worden enkel geserveerd op woensdag en zaterdag. De plompste van de twee verschuilt zich en kijkt vanachter het vensterraam van het terras verwijtend zuur naar onze tafel .
We verlaten het nogal donkere Mitra-Annex en verhuizen naar het luchtiger hoofdgebouw voor twee nieuwe kamers met zonzicht en een groot terras waarop onze klamme was verder kan drogen.
Kristien weet onze vijf fleece-slaapzakken te verpatsen aan een reisbureau en voor een hogere prijs die wij betaalden in Beijing. We rekenen er wel op dat de winter in Argentinië er eentje van het gematigde type is … De warme jassen houden we om die redden nog even achter de hand.
De internetcafeetjes zijn geopend: een ideale dag om ´wat zaken te regelen´: minstens drie lange dagen bus ruilen we in voor een vlucht van Buenos Aires naar Santiago de Chile en het is ook hoogtijd om de finale vlucht van Madrid naar Charleroi te boeken.

zaterdag 12 juli 2008

12.07.2008: dag 362: Uyuni - Tupiza


Het begint een slechte gewoonte te worden: opstaan op een ontieglijk vervelend uur. Deze morgen is dat half vijf. En naar goede gewoonte is het weer ijskoud, de nachtportier lat ons vijven naar buiten. Uyuni is verlaten. Langs de verlichte straatjes lopen we naar het bureau van de busmaatschappij aan de rand van het dorp. Enkele bussen staan klaar en mensen stappen in. Onze bus is nog niet gearriveerd en het bureau is potdicht. We wachten af in het donker langs de weg, samen met enkele andere passagiers op de verantwoordelijke en de aankomst van de bus. Een half uur te laat verschijnt een gammel en totaal versleten vehikel waarin straks dertig passagiers en hun bagage moeten passen. Het was fiësta de afgelopen dagen in Uyuni en verschillende vrouwen - op weg naar een andere markt - hebben hun hele marktkraam en inhoud in zakken en dozen meegebracht. De hele santekraam past niet op het bagagerek en de rest van de dozen en andere rommel wordt in het gangpad gestouwd. Onze belangrijkste rugzakken houden we veiligheidshalve bij ons binnenin. Er is nauwelijks zitplaats voor de passagiers. Enkelen hebben geen ticket en kruipen dan maar op de bagage zodat er geen muis meer bij kan. De vrouwen met hun multiple lagen rokken en gewikkeld in dikke dekens nemen nog het meeste ruimte in. De chaos is compleet als vrouwtjes nog eens terug naar buiten en weer naar binnen klimmen.
"Vamos, vamos!" wordt er langs alle kanten geroepen. Als de motor eindelijk start en iedereen zijn plaats heeft ingenomen in zetels of liggend op bagage vertrekt de chaffeur: hij is klaar voor een lange en moeilijke rit door de bergen. Achter zijn wang zit een dikke prop coca.
We zijn nog maar een bocht verder en we horen een doffe metalen klap: een auto rijdt tegen de voorzijde van de bus. Het voorlicht is defect en er ontstaat een hevige discussie over de verantwoordelijkheid van de botsing. Passagiers worden ongeduldig en eisen dat de chauffeur vertrekt, enkelen willen uitstappen en eisen hun geld terug. Iedereen heeft een mening en er ontstaat een kakafonie waarin Jasmien eveneens haar zegje heeft. De arme autobestuurder heeft het moeilijk tegen de overmacht in de bus. Als we onze weg willen verderzetten blijft de autobestuurder tegen de voorzijde van de bus staan en wil niet meer wijken. Een paar andere toeristen hebben er genoeg van, halen hun bagage van het dak en zoeken ander vervoer, enkele andere Bolivianen volgen hun voorbeeld en ruilen hun ticketje voor geld. Er wordt uiteindelijk een vergelijk gevonden en de autobestuurder verlaat zijn zelfmoordpositie. We zijn weer vertrokken ...
Iedereen zit gewikkeld in dekens of draagt dikke winterjassen; de piste is bijzonder stoffig en langs kieren waait het stof naar binnen. De carrosserie en ramen schudden en trillen op de stenen. Uit de luidsprekers schettert vreselijke Boliviaanse popmuziek. Voertuigen mogen dan tot op de draad versleten zijn; het is opvallend dat hun muziekinstallatie steeds als nieuw klinkt. We rijden nog steeds over de winderige altiplano; enkel groepjes lama´s zijn het enige teken van leven in deze desolate streek. Halverwege stapt de helft van de buslading uit in Etotcha, een deprimerend grijs mijnstadje. De vracht marktspullen op het dak wordt afgeladen; er onstaat wat meer ademruimte. De tussenstop duurt een uurtje en met een nieuwe vracht passagiers en hun bagage rijden we voort: nog drie uren volhouden ...
We rijden door een hoog bergland: dit zijn de laatste kilometers op de koude hoogvlakten. De stenen piste slingert zich geleidelijk naar omlaag langs diepe ravijnen. Hoge cactussen verschijnen in een landschap van canyons: het lijkt op het decor uit een film van Sergio Leone. Verder beneden zien we de ´badlands´: rood gekleurde rotspartijen in een mooie en brede vallei. Koeien grazen langs de oevers van de rivier. We hebben er niet echt oog voor: we zijn allemaal behoorlijk kapot en deze lange en uitputtende rit is er eentje teveel.
Aan het station van Tupiza worden we door een jongetje opgewacht en naar ons hotel gebracht. Tupiza voelt zomers aan; de dikke jassen mogen uit en misschien wel achtergelaten worden. Iedereen voelt zich murw en suf na bijna negen uren in deze dolle kermisattractie. Maar er is ook goed nieuws: Tupiza is het begin van de beschaving en de poort naar het moderne Argentinië: overdreven dikke steaks, wijn met soda en het beste openbaar vervoer van de wereld in nauwelijks drie uren rijden.
We bestellen alvast de grootste hamburger die in Tupiza op een menukaart staat.

11.07.2008: dag 361: Uyuni: Salar de Uyuni











San Pedro ligt enkele honderden meters lager en dat merk je ’s nachts als de temperatuur weliswaar ver onder het vriespunt ligt maar de bijtende koude is grotendeels verdwenen. Het lemen kamertje houdt de warmte van overdag gevangen en het is er redelijk behaaglijk onder een dikke laag dekens. Kranen zijn bevroren en enkel een zuinig straaltje water voor het ochtendtoilet sijpelt uit de douchekop. Ado is ’s morgens al vroeg bezig en ligt op het koertje in het stof onder de cruiser de lekke reserveband te herstellen. De propaanfles komt er weer bij te pas maar om het hoekje wordt lucht met een handpomp in de band geperst. Een collega-chauffeur draagt weer een andere batterij aan; er wordt opnieuw gesleuteld en geprutst. De Landcruiser is na een uurtje weer rijklaar, zo wordt met stelligheid beweerd.
De spullen worden weer ingeladen en we zetten de laatste etappe in via de klassieke piste; stof waait als een bruine rookwolk achter ons aan. ‘Salar de Uyuni’ of de grote zoutvlakte komt eindelijk in zicht. Hierop zijn we niet voorbereid: ’s werelds grootste zoutvlakte, een enorme sneeuwwitte verblindende ruimte van twaalfduizend vierkante kilometer, eindeloos, ijskoud, zonder leven. We zijn op de planeet ´Zorc´... Dit is abstract en griezelig: bergen en vulkanen zweven op het aardoppervlak; de horizon verdwijnt en wordt één met de lucht. Afstanden zijn niet meer te schatten: ligt gindse vulkaan op tien kilometer? Neen, het blijken er minstens zeventig!
Sneeuwwater uit de omgeving heeft geen uitgang naar rivieren en sedert miljoenen jaren stroomt het uit vanuit de bergen in deze gigantische kom waar het grotendeels verdampt, mineralen en hoofdzakelijk zout achterlaat. De zoutlaag varieert van enkele tientallen centimeters tot maximum acht meter diep. Het eindeloos witte oppervlak is perfect horizontaal en is gebobbeld of bestaat uit onregelmatige ‘schotsen’ die op ijs lijken. We stappen uit en ondergaan een fascinerende ervaring: staren naar de grootst mogelijke leegte, het grote niets: de wereld in twee gedeeld: blauwe lucht en het witte aardoppervlak. Sander is een eindje weg, verandert in een onherkenbaar stipje en het is onmogelijk te schatten hoe ver of dichtbij hij loopt.
Tientallen sporen van cruisers leiden verder weg naar een ‘groeve’ waar zout gedolven worden die in blokken gezaagd worden om te gebruiken als bouwmateriaal in het ‘zouthotel’ een eind verderop in de ‘Salar’.
De zon schijnt behoorlijk warm maar het zoutoppervlak weerkaatst alle stralen zodat de temperatuur ’s nachts extreem daalt en het vriest tot min twintig graden! Als je op de grond rust lijkt het alsof je op een blok ijs zit.
Onze eigenlijke bestemming is ‘Viseiland’: een heuvelachtig eiland als de meest eenzame buitenpost in de zoutzee. Dit lijkt buitenaards: een eilandje, bestaande uit scherpe rotsen die eruit zien als bruin koraal en bedekt door een bos van metershoge cactussen met een leeftijd tot duizend jaar! Er is ruim tijd om het aangeduide pad naar de top te volgen; de cactussen in combinatie met de uitzichten over de zee zijn magisch: een bizar panorama dat we als meest markante natuurverschijnsel van deze reis noteren. Vogels vinden een onderkomen in holen in de dikke houtachtige stammen. Aan de ingang staat een toilet met deuren uit cactushout. Elders duidt een bordje het overlijden aan van de oudste cactus aan in 2007. Het bruin geworden dode exemplaar werd zo’n duizend jaar oud.
Aan de ‘oever’ van het eiland wordt ons middageten geserveerd aan een tafel bestaande uit een dik zoutblad; de voedselvoorraad blijkt flink geslonken en het bordje rijst met tonijn is niet voldoende om de honger van iedereen te stillen; onze kok ondergaat enkele ontevreden blikken als blijkt dat er nog een hele voorraad verse eieren onaangeroerd is.
De batterij van de auto doet het weer niet, er wordt opnieuw geduwd om de motor te starten.
We houden een korte stop bij het ‘zouthotel’ een kleine maar erg gezellige constructie midden in de witte leegte. Alle buiten- en binnenmuren zijn opgetrokken uit grijsachtige zoutblokken. Smaakvolle kleine kamertjes, alle meubilair, stoelen en tafels bestaan uit een basis van zout. Enkele zoutbeelden en een staande zoutklok zorgen voor de kunstzinnige toets in het restaurant. Foto’s mogen als we iets kopen in het ‘zoutwinkeltje’. Het zinken dak is bedekt met bruin gras. De ijzeren ramen zijn volledig bruin verroest: dat was geen doordachte investering ...
De zoutlaag is op sommige plaatsen erg dun; we houden even halt; Ado slaat een putje en onder een korst van nauwelijks tien centimeter bevindt zich het heldere zoutwater.
Aan de rand van de ‘salar’ is een zone waar het zout wordt geëxploiteerd. Piramidehoopjes wachten om met vrachwagens naar de raffinaderij vervoerd te worden.
Een paar mannen hakken met een houweel witte brokken uit het oppervlak; hier verdient men op z´n minst ‘het zout op zijn patatten’ ...
De zoutvlakte verandert stilaan in een bruine zone en we rijden terug op het ‘vasteland’. Uyuni ligt een paar kilometer verder en lijkt na de afgelopen dagen in de leegste plaatsen op aarde op een wereldstad.
Een ommetje naar het ‘treinkerkhof’ besluit deze memorabele driedaagse. Tientallen prachtige, volledig verroeste antieke stoomlocomotieven en wagons uit het einde van de achttiende eeuw vonden achter een stortplaats hun eeuwige rustplaats. In plaats van in musea te schitteren staan deze unieke pareltjes op rails achter elkaar geparkeerd, beklad met graffity en gedoemd om te vergaan tot stof en as.
De pensionhoudster aan het busstation is er eentje van het meest inhalige type zodat we elders een onderkomen moeten zoeken voor de nacht.
In het restaurantje aan het markplein serveert men een mals stukje vlees, met een extra portie zout op de frieten ...

10.07.2008: dag 360: Uyuni: tour de Lipez 2
















Half zes: Ado klopt op de deur: “of we willen opstaan om binnen twintig minuten vertrekkensklaar te zijn” ... Euh, ja natuurlijk, graag ... aaarghh ...
Het vriest hard en het is nog pikdonker ... twee spaarlampjes geven wat licht in de gang. De kachel is morsdood.
We huiveren in de warme slaapzak bij het gedacht aan de koude daarbuiten. Iedereen hijst zich snel in alle warme kleren, mutsen en handschoenen. Alleen Ruben durft zijn hoofd onder de kraan te houden. We pakken al onze spullen in en dragen rug- en slaapzakken naar de cruiser die buiten al warm draait. Ontbijt wordt straks onderweg beloofd.
De batterij van de auto is plat, zonder lichten vindt Ado met zijn uilenogen feilloos de weg over een onzichtbare zandpiste.
De kou trekt langs alle kieren van de auto naar binnen, ruiten zijn beslagen met een laagje bevroren rijm. Het ijskoude ochtendgloren zorgt voor enige zichtbaarheid. De contouren van de bergen tekenen zich messcherp af tegen een lichter wordend landschap.
We rijden steeds hoger door de steppe die bezaaid is met stenen en laten een lange stofpluim achter die kilometers ver zichtbaar blijft. De pist klimt over een stompe pas vierduizend zevenhonderd meter hoog. Het zijn geen wolken daar in de verte: een gyser spuit met veel gedruis witte stoom een tiental meter hoog in de ijle lucht. Kokend water pruttelt in modderpoelen en uit de tientallen poelen dampen eveneens dikke stoomwolken die laag over de grond drijven. Lang blijven we niet kijken: met een scherpe wind in het gezicht en twintig onder nul vergaat de lust om lang op ontdekking te gaan.
Een lange rit door een bergwoestijn van rotsen en grind volgt: we volgen de enige route naar de Chileense grens. De omgeving hoort tot de meest onherbergzame en ontoegankelijke van de Altiplano. In geen tweehonderd kilometer in de omtrek is er nog een teken van menselijke aanwezigheid, bergen kleuren grijs, bruin, rood en geel en de hoogste toppen zijn bedekt met sneeuw. Zelfs lama’s kunnen in deze desolate hoogvlakten niet meer overleven: dit is het woongebied van de zeldzame vicuña, de kleinere variant van de lama die zelfs in de koudste gebieden en met het taaiste grassprietje tevreden is. Enkele lichtbruine dieren zoeken tussen de stenen naar voedsel.
‘Laguna Verde’: geen dodelijk groen met arsenicum gevuld meer maar een witte bevroren vlakte met als achtergrond de staalblauwe hemel en een zwarte vulkaan: het perfecte plaatje dat door dit winterweer niet helemaal tot zijn recht komt.
Op de parkeerplaats voor de warmwaterbronnen staan een tiental jeeps; de poel is gevuld met tientallen reizigers die zich te weken leggen in het niet al te warme water. Niemand van het gezin heeft zin om in dit vriesweer, in zijn nakie en tussen alle buitenlanders een bad te nemen. Het lauwe water stroomt over de badrand naar de lagune waar meeuwen en ganzen rondpeddelen. Onze kok richt de kofferbak in als ontbijttafel en deze plaats heeft meer aftrek dan algjes zoeken in koud water en al gauw wordt onze auto omringd door hongerige meeuwen.
De natuur lijkt op sommige plaatsen op een surrealistisch plaatje en vooral ‘De rotsen van Salvador Dali’ vallen bijzonder op: in een heuvelachtig, dood egaal landschap van bruin poederzand bevinden zich rode, grillige rotspilaren.
Vele kilometers stof en piste verder bereiken we de grens met Chile en het prachtige ‘Laguna Colorada’ Het water van deze lagune is niet bevroren en kleurt dieprood tegen de steppen en de okerkleurige bergen. Aan de gras- en mosbegroeide oevers staan enkele honderen dieproze flamingo’s te slobberen in het water; de vogels pendelen tussen de verschillende meren in de omgeving. Ze leven van de algen die deze lagune de karakteristieke rode kleur geven. Het overlevingsvermogen van deze tengere en kwetsbare vogels in deze omgeving is enorm groot. ’s Nachts vormen ze een grote groep midden in het meer en brengen ze de nacht slapend en rechtopstaand door in het ijskoude water.
Na de lange vermoeiende rit van zes uren langs nog enkele andere waterplassen is het tijd voor de lunch: koude kip en tagliatelli: een feestmaal in dit onvoorstelbare eenzame gebied in de omgeving van het drielandenpunt tussen Bolivia, Chili en Argentinië. Enkele gezinnen wonen in lemen huisjes en eentje baat een extreem eenvoudig pension uit voor reizigers die wat langer aan de rode lagune willen verblijven. Zoveel tijd hebben wij echter niet: Ado wijst ons op het vervolg van het dagschema: nog minstens zes uren tot San Pedro en de weg wordt niet beter dan deze hobbelige streep zand. De bezorgdheid over de batterrij die geen elektriciteit meer levert wordt groter: de meeste cruisers rijden in de tegenovergestelde richting en hulp vermindert als ’s namiddags de auto’s hun eindbestemming naderen. Ado wisselt van batterij bij een andere chauffeur; deze past niet en de contactpunten worden met een stukje koperdraad en een reepje katoenstof verbonden. Ik kijk even mee onder de motorkap: ik ben geen kenner maar het elektrisch circuit lijkt een puinhoop of een wirwar van versleten draden en verbindingen die met plakband bijeengehouden worden: amateurs! We rijden weer en even lijkt het alsof alles in orde is totdat alle dashboardampjes en de cd-speler terug uitvallen. Stoppen, onder de motorkap sleutelen en opnieuw vertrekken om na een tijdje de procedure te herhalen. San Pedro lijkt zo nog heel erg ver weg. De pisten in de brede vallei waaieren uit naar alle richtingen om onverwacht in het zand te verdwijnen. Ado vindt echter steeds een nieuwe weg die de juiste richting volgt.
Een kapotte band ontbreekt nog aan de rit maar we worden dra op onze wenken bediend: het flappend geluid van een platte achterband kondigt een nieuwe tussenstop aan.
Natuurlijk bezittten we een reserveband; na plaatsing ontbreekt een kleine maar nogal belangrijke eigenschap: ook de reserveband staat grotendeels plat! Een handpomp zit niet bij het gereedschap. Dit is onvergeeflijk maar Ado weet opnieuw raad: met de gummislang van het gasfornuis en een tussenstukje op het ventiel weet hij de band verder op te pompen door de druk van het propaangas uit de gasfles! Onze voorzichtige bezorgdheid dat rijden op een mengsel van lucht en gas misschien niet zo verstandig is wordt weggelachen. “No problemo amigo, vamos ...”
Nog drie uur rijden en de avond valt snel. De lage zon schijnt als een reusachtige koplamp in het gezicht. De streep in het land wordt zo hobbelig dat we een stukje al lopend moeten afleggen om de gasgevulde band niet onder te hoge druk te zetten. De laatste berghelling kondigt zich aan en daarachter rijden we eindelijk over een gladde grindweg. In de verte hangt rookt boven de krater van een actieve vulkaan. We slaan een nieuwe zandpiste in; nog anderhalf uur en hopelijk houdt de band het nog zolang. De bergen verdwijnen stilaan en dat betekent dat de zoutvlakte en ook San Pedro niet meer veraf zijn. Iedereen probeert de eerste lichtjes van een dorp te ontwaren in de duisternis; we zijn nu bijna veertien uren onderweg en vermoeidheid en ongeduld beginnen door te wegen. Gelukkig kunnen we op de onvermoeibare chauffeur rekenen. Een gesloten slagboom verspert de weg; een soldaat verlaat een duister hokje en informeert naar onze bestemming: een eerste teken van leven: San Pedro is nabij.
Het lampje van een verre straatlantaarn kondigt het einde van de rit aan. Enkele stofige straatjes en een reeks lemen huizen waarvan er enkele kamers met bedden verhuren. De beste plaatsen zijn op dit late uur bezet maar de derde poging lukt: een bolhoedvrouwtje heeft nog plaats voor vijf plus twee vermoeide lijven.
De douche doet het na enkele pogingen en een straaltje heet water doet de vermoeidheid en het stof verdwijnen. Onze kok doet haar best om nog wat avondeten klaar te maken en om half tien staat er in de ‘comedor’ spaghetti op tafel. Ado zit in de warme keuken bij bolhoedje voor een bord soep.
De generator doet het nog even maar om tien uur valt het licht uit. Iedereen ligt dan net in bed. Het is oorverdovend stil in San Pedro.

09.07.2008: dag 359: Uyuni: Tour de Lipez 1











De afgelopen nacht was ijzig en alle dekens waren onvoldoende om het warm te krijgen.
Als de zon eenmaal verschijnt verdwijnt de koude meteen. Deze temperatuurschommelingen zijn onvoorstelbaar groot in korte tijd. Chauffeur Ado en kokkin Soledad zijn op tijd. De Toyota Landcruiser lijkt betrouwbaar maar heeft zijn beste dagen gehad. De wagen heeft een respectabele leeftijd van vijfentwintig jaar, maar dat geldt voor alle auto´s die de andere agentschappen terbeschikking stellen. Een tiental andere cruisers staan in de rij; rugzakken worden op het dak gesjord. Er is plaats voor zes personen; wij bestelden een privé-expeditie en met z´n vijven hebben we voldoende plaats.
Met en nieuwe cd Argentijnse smartlappen in de speler vertrekken we een uurtje te laat. We rijden het circuit in tegengestelde richting om de andere landcruisers te vermijden. Een lange weg volgt door bruine steppen, slecht enkele dorpjes van een paar huisjes en zonder voorzieningen staan langs de weg; hier woon je heel ver afgelegen. De lunch wordt klaargemaakt in de keuken van een eenzaam hotelletje langs de weg op een winderige hoogvlakte. We kunnen ons al inbeelden hoe koud het hier ´s nachts wordt.
Een beetje voetbal sjotten doet ons al op de adem trappen. De lamasteak met quinoa smaakt voortreffelijk.
Het elektrisch circuit van de Toyota laat het regelmatig afweten en de chauffeur moet nu en dan onder motorkap om zekeringen te controleren en draadjes met elkaar te verbinden. "Haha: no problemo ...". Wij zijn er niet zo zeker van ...
We passeren enkele lagunes vooraleer we stilaan de hoogvlakte verlaten om nog hoger in het ontoegankelijke bergland te rijden. Hoe hoog kun je eigenlijk nog verder? De weg wordt steeds slechter om te verdwijnen in talrijke tijdelijke pisten. Voor het eerst zien we enkele wilde vicuña´s grazen. Bizarre rotsformaties geven het landschap een sprookjesachtige sfeer. Gladde rotsen zijn begroeid met fluogroene korstmossen. Het kan nog hoger, maar de koude is navenant. Tegen valavond schittert de lagune in de laatste zonnestralen; onze overnachtingsplaats is dus vlakbij. We zijn laat. De lichten van de cruiser doen het niet, de batterij levert geen stroom. De lichtjes van de lodge leiden ons naar de eindbestemming van de dag: enkele simpele barakken met kale kamers en een badkamertje met ijswater. De omgeving is kurkdroog en de vrieskou bijt in het gezicht. Op deze vierduizend vijfhonderd meter bereiden ons voor op minus twintig.
De sterrenhemel en de melkweg is ongelooflijk helder; sterrenfanaten komen van over de hele wereld komen naar deze streken afgezakt om zons- en maansverduisteringen waar te nemen.
We hebben al onze kleren nodig om het warm te krijgen. Een tiental toeristen hebben hun avondmaal gehad, spelen kaart en warmen zich aan een houtkacheltje, maar enkel vlakbij voel je een beetje warmte.
Onze kok begint aan haar taak en serveert vettige frieten en een mengeling van gebakken ajuin, gehakt en schijfjes worstjes; een merkwaardige combinatie, maar dit is geen plaats om te klagen. Buiten sleutelt Ado aan de motor. We hebben licht nodig als we morgenvroeg in de donker vertrekken.
De generator levert maar elektriciteit tot na het avondeten. Een stille hint om nadien te te blijven napraten. De geleverde slaapzakken bewijzen hun nut en onder de stapel dekens is het knus en vooral lekker warm: laat de koude maar komen ...

dinsdag 8 juli 2008

08.07.2008: dag 358: Potosi - Uyuni

Afspraak om tien uur ´s morgens aan de rand van Potosi: de twee busmaatschappijen die naar Uyuni rijden hebben hun station aan een chaotische weg. Marktkramen en stalletjes lijnen de omgeving van de halte.
Er staan een tiental andere buitenlanders te wachten in de drukte van het verkeer. Uyuni is een ´hotspot´ voor toeristen in Bolivia.
Het zijn geen luxe autocars die naar Uyuni rijden: de weg is abominabel en enkel bussen met vrachtwagenchassis kunnen de verbinding tussen Potosi en Uyuni verzorgen. Dit betekent echter dat we heel wat moeten inboeten op zitcomfort: de kleine bussen zijn ´made in Bolivia´, de zetels zijn hard en smal en de bagage moet op het dak gebonden worden. Vooral Ruben is niet te spreken van deze terugval inzake comfort en - zoals Bush zijn ´schurkenstaten´ heeft, catalogeert Ruben Bolivia vanaf heden in de steeds grote wordende reeks van ´schooierstaten´ ...
Het instappen gebeurt chaotisch, er is geen controle op wie al dan niet een ticket bezit. Passagiers stappen in om nadien weer uit te stappen. Vlak voor het vertrekt klinkt een schreeuw in de bus: een Britse senior ontdekt dat zijn handbagage uit het rekje is verdwenen: een schurk die in de drukte mee binnenstapte verdween ongemerkt met het rugzakje. We zagen de goedgeklede jonge man eveneens maar hadden geen oog voor hetgeen hij bij zich droeg bij het naar buiten gaan. Het gebeurt bliksemsnel en gewoonlijk als de bus zich in beweging zet. De dief is verdwenen. We zijn ervaringsdeskundige op dat vlak. De inhoud van het zakje blijkt niet echt waardevol te zijn maar de man is toch ontrieft. Bolivia doet zijn trieste reputatie als zakkenrollersland al te vaak eer aan; dit is nu de derde maal dat we van erg dichtbij met dieven te maken krijgen. De chauffeur die de tickets van alle passagiers controleert verzuimt na afloop verdere controle en laat iedereen terug in-of uitstappen. De man verstaat plots geen Spaans meer als hij op zijn gebrek aan toezicht wordt gewezen.
Er zijn opvallend veel vrouwelijke passagiers; mijn buurvrouw is er eentje van het ´brede type´. Fluwelen rokkenlagen en een aantal vestjes, jasjes en dekens om de koude te trotseren. Als de zon in de loop van de voormiddag de koude verdrijft en de warmte overneemt ontstaat er in de bus een chemisch proces: ranzige lichaamsgeuren verspreiden zich als gevolg van de vele ongewassen lijven. Bolhoedje naast mij beschikt over een indrukwekkend chemisch laboratorium ... Nog vijf uur rijden ...
Het landschap wordt zowaar nog eenzamer, leeg en de laatste huizen zijn we al uren geleden voorbij gereden. De piste stijgt gestaag tot meer dan vierduizend meter. Buiten is het grijs, somber en opnieuw ijskoud, stroompjes zijn ook overdag bevroren. Dit is onbewoond gebied.
In het midden van deze leegte zien we aan de horizon een merkwaardige witte vlek verschijnen: de Salar de Uyuni of ´s werelds grootste zoutvlakte. Vlak ervoor ligt een klein stadje in het grijs: Uyuni of het koudste stadje van het land, en in Bolivia is dat geen loze belofte ...
De eerste indruk is vooral positief: een warm zonnetje, brede lanen, enekele gezellige pleintjes, winkels, restaurants en opvallend veel hotels: Uyuni is helemaal ingesteld op het toerisme: tientallen tourbureau´s concurreren op het scherp van de snee en dingen om de gunst van de arriverende buspassagiers. We worden langs alle zijden aangeklapt, gratis vervoer naar het hotel, dat vanzelfsprekend ook meerdaagse excursies organiseert.
De kamers in het hotel voelen koud aan, alsof je in een frigo stapt, op de bedden liggen vier lagen dekens, er is nergens verwarming: dat belooft voor vannacht.
Eenmaal als de stralingswarmte van de zon verdwijnt valt de koude als een ijslaag over de stad: het vriest meteen. Het terrasje waarop zonet nog gasten in t-shirt achter een biertje zaten wordt snel afgebroken. De temperatuur zakt in recordtijd van een aangename twintig graden tot min tien.
Uyuni is dus geen plek om lange tijd nietsdoend door te brengen. Uit één van de vele
reisbureautjes maken we een keuze en boeken het Lipez-circuit naar de Chileense grens: een volwassen expeditie met een alleterreinwagen naar de mooiste en meest afgelegen woestijnen, bergen, vlakten en gekleurde lagunes van Latijns-Amerika. Drie dagen en twee nachten in eenvoudige onderkomen. Extra warme slaapzakken worden geleverd, samen met een Toyoto Landcruiser, ervaren chauffeur, een kokkin en voldoende voedselvoorraad. Het vertrek is voorzien voor morgenvoormiddag. We schaffen ons voor sluitingstijd nog een extra warme trui aan en kruipen met alle kleren aan onder de laag dekens in onze frigo die nu in een diepvries is veranderd ...

maandag 7 juli 2008

07.07.2008: dag 357: Potosi












De mooiste kathedraal van Bolivia met haar gouden altaren blijft nog een jaar gesloten wegens werkzaamheden; hierop gaan we niet wachten. Het ´Casa de Moneda´ waar de Spanjaarden het zilver uit de Cerro Rico en tot munten sloegen die over het rijk verspreid werden, is vandaag op maandag eveneens dicht.
We regelen dan maar vandaag een bezoek aan de beruchte mijnberg van Potosí of de Baurinage van Bolivia.
De tientallen mijnen in de berg werden door de Boliviaanse overheid van de hand gedaan wegens onrendabel. Sedert enkele tientallen jaren delven kleine mijnwerkerscoöperaties in de meest miserable en primitieve omstandigheden naar tin, zink, lood en zilver. Er is geen keuze: de mijnberg is al sedert eeuwen de enige werkgever in Potosí. Slecht studerende kinderen worden in Potosi dan ook voor de keuze gesteld: "als je niet wil studeren moet je maar naar de mijn en als je je best doet ... ook". Enkele duizenden mannen en kinderen hakken en boren als mollen een doolhof van gangen op tientallen niveaus. De werkomstandigheden zijn omenselijk hard en de arbeid levert nauwelijks voldoende geld op om te overleven.
Verschillende toeristenbureau´s regelen een ´mijnervaring´ inclusief aangepaste kledij, helm met mijnlamp, gummi laarzen en begeleiding door een Engelstalige gids.
We ontvangen de gele overall en de rest van de benodigdheden. Het busje rijdt tot aan de voet van de berg waar de mijnwerkers in cités wonen: geen tuinwijken zoals in Winterslag maar grauwe onverwarmde rijhuisjes van één verdieping zonder stroom of water.
Het is de gewoonte dat bezoekers een presentje meenemen voor de arbeiders. In één van de vele mijnwinkeltjes kopen we een aantal gegeerde producten: een zak cocablaadjes, pakken biscuits, limonade, een para staven dynamiet en een fles alcohol van 95 graden.
De mijnwerkers eten de ganse dag niets en overleven op cocabladeren en slokken alcohol. Zo kunnen ze twaalf uren onafgebroken labeuren zonder moe te worden of honger te krijgen. Alle werkmateriaal moet op eigen kosten aangekocht worden en een extra dynamietstaaf of cocabladeren wordt zeer gewaardeerd.
De hoogte van de berg is in de loop der tijden met een paar honderd meter geslonken; miljoenen tonnen gesteente werd uit de ingewanden van de berg gedolven en ligt overal gestort. Tientallen openingen duiden het begín van een gang aan. Een vrouwtje van zestig dat eruit ziet als negentig zit op een steen in de kou en stof en slaat met een zware hamer stukken rots in stukken en sorteert de zink of looddeeltjes. Gekleed in oude vodden en enkel voorzien van helm en lamp met met de zakken een voorraad coca en alcohol kruipen een aantal mannen in donkere ingewanden van de berg. Wij volgen in een andere gang; het is niet druk op een maandag: voor de meeste mijnwerkers is dit een ´blauwe maandag´ na een weekend van drugs en drank. Vanaf morgen zijn de meesten weer present.
De tunnel wordt al snel smaller en na enkele tientallen meters is het aardedonker; onze mijnlampen verspreiden een helle lichtbundel. Op het einde van de gang zit een eenzame arbeider op zijn hurken bij het lichtje van een carbuurlampje. Hij is bijna klaar met het steken van twee staven dynamiet in een tin- en zinkader. De man haalt de lucifers uit zijn zak, een teken dat we beter naar een veilige plek verhuizen; een zijtunnel heet een goede schuilplaats te zijn. Na enkele minuten horen we twee droge knallen. Stof verspreidt zich in de tunnel en enkele vierkante meters rots werden losgeslagen. Sander en Ruben vinden het spannend! We volgen een andere tunnel en ontmoeten in een nis het beeld van Tio, de beschermeling van de mijnwerkers: voor zijn voeten liggen flessen alcohol, in zijn uitgestoken handen steken sigarettten en zijn lichaam is bedekt met een laag cocabladeren en papieren slingers. We begeven ons naar een lager niveau: iedereen kruipt op handen en voeten in het mulle stof door een krocht die niet breder is dan het lichaam, de putten staan met elkaar in verbinding; we voelen ons speleologen in een onontdekte grot.
In de nieuwe gang staan enkele mijnwagentjes klaar om naar buiten geduwd te worden. Een ton gesteente dat door drie mannen naar de uitgang getrokken wordt. Enkele lichtbundels verschijnen in het duister. We delen onze voorraad cocabladeren en nog wat biscuits uit aan de mijnwerkers die blij als kinderen hun weg in het duister vervolgen.
Er verschijnt licht in het duister: het einde van de tunnel. Een beetje opgelucht wennen de ogen terug aan het zonlicht. Bedekt onder een laagje grijs stof kruipen we achter elkaar uit de put. Er rest ons nog een staaf springstof. Ruben en Sander worden - door onze uitstekende gids - opgeleid tot Al Qaida-militant: de staaf dynamiet wordt gekneed tot een bol en de lont wordt in de pasta gestoken: doodeenvoudig. Even verder op de heuvel wordt de lont ontstoken en binnen enkele seconden schrikt een enorme knal de omgeving op. Het is eens wat anders dan spelen met vuurwerk ...
De meeste mijnwerkers verlaten de mijn; enkelen blijven nog even hangen met de kameraden en lopen onstandvastig met een fles pure alcohol in de hand naar beneden.
Het was een levensgevaarlijke dag hard werken voor een loon van vijf euro.
In ruil hiervoor word je hooguit vijfenveertig jaar en sterf je in een primitief mijnziekenhuisje aan stoflongen.
Je zou voor minder de hele dag alcohol willen drinken ...