woensdag 7 mei 2008

06.05.2008: dag 296: Lake Isabella – Death Valley








Het koelt net voldoende af om het niet koud te krijgen in de tent. Het is een zachte ochtend en bij het eerste zonlicht wordt het kamp afgebroken. De parkranger komt even langs om af te rekenen: negentien dollar voor een overnachting inclusief een warme douche..
Het wordt een lange rit. De weg kronkelt verder langs het het meer, we doen ‘de bak nog eens vol’ en kiezen de California 178, de enige passage door de Sierra Nevada naar de eenzame Death Valley. De rechte weg daalt langzaam maar zeker; de eerste cactussen verschijnen; gele, rode en paarse bloemen bloeien slechts gedurende een paar weken in de lente en zorgen voor een vrolijk kleurtje in het bruine en desolate land.
We blijven dalen over een eenzame weg; de buitentemperatuur loopt verder op en nadert veertig graden. In in de verte tussen twee bergketens zindert een enorme witte zoutvlakte in de zon. Een enorme mijn verschijnt: tonnen witte borax liggen opgehoopt voor de raffinaderij. We volgen een afsluiting van draad; links en ver van het oog onttrokken in de woestijn ligt één van de grootste militaire basis van Amerika; grijze vierkanten bouwwerken en torens is het enige dat zichtbaar is. Bedrijven verkopen mobiele huizen; de wielen staan er al onder: dit kan alleen in Amerika ...
Bij een bordje ‘Zeeniveau” in Stovepipe Wells stoppen we voor een middagpauze. Er is een winkeltje, tankstation en een rangerspost. Als we de autodeur openen slaat de hitte ons in het gezicht. We eten onze boterhammen hier snel op vooraleer de boter en beleg wegsmelten. Enkele huifkarren geven het plaatsje een wildwest tintje.
De asfaltweg daalt nog verder en het wordt nog heter; de aircon blaast koele lucht in de auto. We rijden door een land van extremen, in de zomer is dit de heetste plaats op aarde met temperaturen tot zeventig graden in de zon. ‘s Winters kan het vriezen. In deze tijd van het voorjaar klimt het kwik overdag al tot boven de veertig graden.
We rijden een zone voorbij met gele zandduinen. We nemen een kijkje maar verder dan enkele honderden meters loop je hier niet; het is verschroeiend heet in de middagzon, er is nergens scaduw; de woestijnwind blaast hard en droogt lippen en mond uit. De vallei zit gevangen tussen twee bergketens die de opstijgende lucht gevangen houdt en ze iedere minuut terug opwarmt als in een drukkookpot tot onmenselijke temperaturen. De canyons of de ‘Badlands’ aan de overkanten gloeien en krijgen alle tinten van oker.
De auto daalt nog verder tot Furnace Creek, een onverwacht groene oase van schrale dennen en taaie lage struiken. Dit is ook de kampeerplaats voor de nacht; er is water en de dennen leveren een beetje schaduw voor de twee tenten. Bloedheet is het en de naam ‘Furnace Creek’ is een perfecte naam: het is inderdaad een bakoven.
We houden halt bij een verlaten boraxmijn; verroeste ijzeren ketels, pijpen en karren zijn de enige resten van de plaats waar eertijds Chinese arbeiders het ‘witte goud’ van zout en mineralen schraapten in de verschrikkelijke hitte van de Death Valley. Ezels trokken geladen wagens en brachten het kostbare goedje honderden kilometers ver naar treinstations.
We kunnen nog dieper afdalen naar het laagste punt van Death Valley; we rijden naar ‘Badwaters’of het laagste punt in de Westelijk halfrond op bijna honderd meter beneden zeeniveau. De hitte overtreft deze aan de Dode Zee, en toen was het ginder hoogzomer. Dit is een surrealistisch landschap; een in de zon trillende modderige zoutvlakte en een tijdelijk meer dat na regenbuien in de bergen met water gevuld wordt. ’s Zomers droogt het meer uit en laat zouten en mineralen achter met onder de gebroken oppervlakte ‘Slecht Water’. Een eenzame meeuw staat in een hete modderpoel bijzonder triest te kijken. De vogel vliegt niet op. Een eenzame fietser puft de oneindige weg bergop: gestoord! Ieder jaar komen mensen om in dit vijandige gebied, zelfs een wandelingetje van enkele kilometers kan dodelijk zijn, waarschuwen verschillende affiches.
‘Devil’s Golf Course’ is een ander bizar natuurfenomeen: een lege en troosteloze witte vlakte van steenhard rotszout dat gebeeldhouwd is door regen en wind. De hitte trekt het zout uit de verschroeide vlakte en laat het in de vorm van golfballetjes uit de grond ploppen zodat zich een scherp gekartelde vlakte ontstaat met gaten en trechters waarop alleen ‘de duivel kan golfen’.
‘Golden Canyon’: we wandelen door een nauwe, door water geërodeerde canyon met gekleurde wanden, gele en rode tinten, maar de temperatuur is zo onhoudbaar in deze beschutte kloof dat we halverwege moeten terugkeren.
In de ondergaande zon volgen we de ‘Artist Drive” een prachtige rit door heuvels in zachte pastelkleuren. Death Valley ziet er opeens veel vriendelijker uit.
Ook als de zon helemaal achter de Black Mountains is verdwenen koelt het niet af. De hitte hangt als een kurkdroge wollen deken boven de vallei. We voelen ons loom en hebben geen zin om ingewikkeld te koken; in de supermarkt vinden we spaghetti en een begeleidende rode wijn.
De kampeerplaats is aardig volgelopen in de loop van de dag en tentjes staat opgesteld op de plaatsen met de meeste schaduw.
De waterzak is handig; gevuld en opgehangen aan een hoge tak is het net voldoende voor een verkwikkende douche.
De temperatuur zakt maar heel langzaam en in de tent hangt een late avondhitte die maar niet wil verdwijnen. De kuip van Death Valley houdt de warmte binnen. In de verte huilen coyotes; waar vinden die arme beesten in godsnaam eten in deze hel op aarde.
Wij kijken voor het eerst niet uit naar een nieuwe zonsopgang morgenvroeg ...

05.05.2008: dag 295: Yosemite – Lake Isabella







Brrr: kil en vochtig is het in de bossen van Yosemite in deze prille lente. Beren laten ons met rust; er valt in de buurt van de tent niet veel te rapen. We ontwaken verkleumd uit de klamme tenten en warmen op aan een vuurtje dat opbrandt met de laatste stukjes hout. Vanavond willen we slapen in een aangenamere temperatuur.
Voor ontbijt is er nog wat brood en een restje boterhamworst. Er staat een lange rit op het dagprogramma: we plannen vandaag tot de rand van Death Valley te rijden, volgens onze gps een rit van zeven uur.
Eerst willen we ’s werelds grootste levende organismen gaan bekijken: in de buurt groeien er nog een aantal sequoa’s: enorme naaldbomen met de eerbiedwaardige leeftijd van meer dan tweeduizend jaar. We rijden een paar mijl naar de plaats waar een tiental giganten zouden groeien. De foto van een sequoa met een doorgang waar een auto doorrijdt kennen we van de aardrijkskundeboeken uit onze jeugdjaren en dat beeld willen we nu niet missen. Op de hellingen van de Sierra ligt nog sneeuw. We lopen tevoet langs een besneeuwd boswegje naar de plaats van de ‘giant sequoa’s. Het is een fantastische aanblik: enorme bruine stammen van ruim honderd meter hoog met kleine stompe takken die verhinderen dat de boom onder het geweld van de wind zou omwaaien. Deze knapen groeiden al in de tijd dat de Romeinen over onze streken heersten. Ongelooflijk deze natuurlijke wolkenkrabbers! De bomen bezwijken uiteindelijk onder hun eigen gewicht. De stronk met de doorgang bestaat nog steeds; het was al een attractie in de achttiende eeuw toen koetsen onder het natuurlijke gewelf reden. Graffiti is van alle tijden: ook toen kerfden bezoekers hun namen in het hout: ‘Lee and Mary - August 12, 1834’.
Onze Explorer rijdt geruisloos door de valleien van Yosemite: de kortste verbinding naar Death Valley is onderbroken; de bergpas is voorlopig nog dicht door het winterweer en we zijn genoodzaakt een omweg via het zuiden te maken. Cruising the USA: we dalen langs pefecte wegen langzaam uit de bossen van de Sierra Nevada en bevinden ons in de vruchtbare glooiende valleien met windmolens en grote ranches, goed onderhouden omheinde weilanden waar zwartwitte koeien grazen en wijngaarden waar de bekende Californische druiven groeien. Kleine stadjes en dorpen met lage huizen liggen op verre afstand van elkaar. De omvang van boerderijen en plantages is gigantisch groot, zoals alles in Amerika. Patriottische Amerikaanse vlaggen wapperen aan vele huizen, auto’s rijden met stickers ‘Support Our Troops’. Stallingen in weiden dragen een dak met de kleuren van de vlag. Dit zijn duidelijk de ‘United’ States.
De snelheidsbeperkingen verhinderen snel rijden; radarcontroles worden op verschillende plaatsen aangekondigd en alle chauffeurs rijden voorbeeldig over de kronkelige wegen en respecteren allemaal de opgelegde maximumsnelheid.
De temperatuur is opnieuw aangenaam warm en we volgen nu de vierbaans freeway naar het zuiden. We pauzeren in stijl voor een ‘Big Mac’. De Ford is nogal gulzig en verbruikt een respectabel aantal gallons benzine en dagelijks vullen we de tank aan met ‘regular unleaded’. We rijden opnieuw de lagere heuvels van de Sierra binnen en klimmen gestaag omhoog tussen bossen met hier en daar eenzame boerderijen en bruine weilanden met verspreide eikenbomen.
In de verte beneden ligt het Isabella-meer; het is al late namiddag en niemand heeft nog zijn om nog een paar uur verder te rijden tot Death Valley. In ‘Mike’s Supermarkt’ doen we inkopen voor het avondeten: een ‘sirloine-steak’ van ruim een kilo, aardappelen en broccoli. Het wordt tijd om wat fatsoenlijk eten achter de kiezen te steken. Achter de kassa hangt een affiche: “It’s God’s responsability tot forgive Bin Laden, it’s our duty to arrange this meeting”. De gezette dame met dikke brillenglazen maakt de rekening. ‘Unlimited Credit Is Possible’. We nemen er geen gebruik van. We stoppen aan een mooie kampplaats onder de bomen met stromend water, propere wc’s en douches met warm water, vooral Ruben is aan deze laatste faciliteit gehecht. Het bordje aan de ingang zegt dat we mogen binnenrijden en dat een ranger langs zal komen voor de inning van de ‘campingfee’.
We kiezen een mooie plek onder de zon, tenten worden opgezet, patatten en groenten worden klaargemaakt en het aroma van een vier centimeter dikke steak in de pan doet iedereen watertanden. Een Californisch wit wijntje begeleidt een perfecte maaltijd in de natuur.

zondag 4 mei 2008

04.05.2008: dag 294: Yosemite National Park





Gedurende de nacht horen we doffe slagen tegen de zware ijzeren vuilniscontainer; het alarm bij twee verschillende auto’s schrikt ons uit de slaap: hongerige beren op zoek naar eten, zolang er geen voedsel in de auto’s ligt of op de tafels bij de tent ligt gaan beren voorbij.
De metalen voorraadkasten zijn met een speciaal ‘berenslot’ afgesloten.
Een tweede autorit van een uurtje brengt ons een tweede maal naar de vallei van Yosemite. Het is zondag en net zo druk als gisteren. De parkings staan vol en de shuttlebussen vervoeren wandelaars naar alle punten en vertrekplaatsen in de vallei.
Yosemite Waterfall is de hoogste van een reeds watervallen en is an van ver zichtbaar en in deze tijd van de lente, als de alle sneeuw op de toppen smelt de hoofdattractie van het park.
Wegwijzers duiden de richting aan naar de benedenwaterval, een ander pad zigzagt omhoog naar de bovenste stroom. In een mist van regen dondert het water massaal en met oorverdovend gedruis in de rivier. Lang blijf je niet staan kijken; de ijskoude nevel verkilt het lichaam en al gauw keren we terug naar drogere oorden.
In het ‘Visitors Centre’ bekijken we een film waar de noodzaak nog eens onderstreept wordt om alle voedsel veilig op te bergen en niets in voertuigen achter te laten. Spectaculaire beelden volgen van beren die auto’s slopen op zoek naar een achtergelaten zak chips of een tube tandpasta. Opengereten tenten waarin een brood lag. ‘Hebben we alles goed opgeborgen?” De ‘Village Store’ zorgt ook vandaag weer voor de innerlijke mens vooraleer we naar ‘Reflection Lake” vertrekken. De shuttle zet ons af aan het vertrekpunt van de wandeling. Prima geregeld is dat: de auto’s blijven op de verschillende parkings staan en de bezoekers geraken met deze gratis bus overal op de belangrijke plaatsen of attracties van het park.
We lopen langs een rivier in een bos met enorme thuya’s; bomen die loodrecht als enorme pilaren tot zeventig meter hoog reiken met een indrukwekkende bruine stam. Ik tel een driehonderdtal jaarringen op een omgevallen exemplaar. Hm, we hebben er zo’n stuk of tien in onze tuin als haag langs onze buren. Ik hoop dat zij niet gaan reclameren binnen pakweg honderd jaar ...
De ‘Dome” of een enorme rots in de vorm van een halve koepel is het meest gefotografeerde landschap van Yosemite en de grijze rechte wand van enkele honderden meters is adembenemend hoog. Er liggen nog wat strookjes sneeus en de enkele tijdelijke watervalletjes verdampen in neveldruppels vooraleer ze de bodem bereiken.
De lucht is al de hele dag betrokken en nu begint het stilaan te regenen. We stappen voort tot aan het meer waarin de granieten koepel reflecteert. De regen en de grijze lucht laten geen reflectie toe maar het zicht is ondanks de weerspiegeling opnieuw grandioos: een oerlandschap. Het regent nu erg hard; onze tent met slechts één dekzeil en ‘made in China’ staat veertig kilometer verder, weliswaar onder een naaldboom maar we vrezen dat al onze slaapspullen en kleren ondertussen doorweekt zijn.
In de dure ‘Yosemite Lodge’ krijgen we een paswoord en kunnen we de laptop even online krijgen. Vlug de post lezen, de krant inkijken (Brussel-Halle-Vilvoorde ... nog steeds geen nieuws in België ...) en de blogs van de voorgaande dagen kunnen nu gepubliceerd worden. Nu we toch in de buurt zijn nemen we nogmaals gebruik van de faciliteiten van de camping; wie weet wanneer we nog eens van een warme douche kunnen genieten. Een belegd broodje uit de winkel als avondeten; we hebben geen zin meer om straks in de nattigheid en het donker te kokerellen.
Het houdt eindelijk op met regenen; het vocht verdampt en hangt als horizontale mistsluiers halverwege de rotswanden en in de rivierdalen.
De route terug naar onze camping is eenzaam en donker; ook hier hangen nevelsluiers over het wegdek. De meeste kampeerders zijn vertrokken; morgen is het weer een gewone werkdag. Onze Chinese tentjes hebben de nattigheid doorstaan en blijken regenbestendig: slaapzakken, lakens en al onze kleren zijn droog; wat een opluchting is dat; we hadden ons er al bij neergelegd om de nacht in de Ford door te brengen. Zelfs een vuurtje maken lukt nog. Toch eens goed kijken of er niets eetbaars in de auto en tent is achtergelaten, de sloten van de kast nog eens controleren en naar bed onder een opnieuw stralende sterrenhemel. Het belooft weer een koude nacht. Laat de beren nu maar komen, maar niet te dicht ...

03.05.2008: dag 293: Yosemite National Park







De nacht is helder en de sterren flonkeren. Het vriest lichtjes en het is erg koud in de tent. We hebben al onze kleren nodig in de slaapzakken om het net warm genoeg te krijgen. Sander en Ruben zorgen voor het kampvuurtje in de ochtend: elementair om terug leven in onze verkleumde ledematen te brengen. Bij een hete koffie en de eerste warme zonnestralen worden we terug actief als beren die uit hun winterslaap ontwaken. Jasmien zorgt voor een ontbijt van cornflakes.
We zijn hier om het woeste Yosemite te verkennen en met onze Explorer rijden we naar het centrum van het nationale park. De weg stijgt gestaag en voert door langs spectaculaire landschappen, een Indianenland met weidse valleien begroeid met bossen van hoge naaldbomen, grote delen zijn de afgelopen zomer door blikseminslagen getroffen en afgebrand. Op de pas, op een hoogte van bijna tweeduizend meter ligt er nog sneeuw. De rotswanden worden hoger naarmate we afdalen naar Yosemite Village en de spectaculaire vallei omringd door enorme loodrechte rotswanden en watervallen die tientallen meters in een mist van nevels naar beneden storten. ‘El Capitan’, de hoogste en bekendste rotswand van Yosemite is het visitekaartje van het park. De weg is gevuld met grote vrijetijdswagens. Het is verlengd weekend en de Amerikanen profiteren ervan om de natuur op te zoeken, jammer genoeg doen ze dat allemaal tegelijk. De monumentale vallei is herleid tot de mooiste parking van Amerika: een kilometers lang netwerk van parkeerplaatsen en wegen die naar alle attracties van het park voeren. Mobilhomes en auto’s worden geparkeerd in afgebakende zones. Families gaan op wandel of maken fietstochtjes over speciaal aangelegde wegen. Een supermarkt voorziet de campinggasten van proviand. Om de overvloed van bezoekers op te vangen rijden er de hele dag speciale shuttlebussen het ganse circuit van de vallei en de wandelaars kunnen de hele dag gratis op- en afstappen op plaatsen waar wandelingen in de omgeving starten of eindigen. Je wacht nooit langer dan enkele minuten. De campings zijn allemaal volzet. Het is allemaal bijzonder goed georganiseerd, maar je mist daardoor wel het ‘wildernisgevoel’.
We laten ons naar stop twaalf rijden waar een wandellus van een tiental kilometer naar een dubbele waterval leidt. Het is druk op de goed onderhouden paden; families met kleine en grote kinderen volgen de weg naast een snelstromende bergrivier naar boven. De ernorme plompe grijsgranieten rotswanden steken hoog uit boven de bossen. Het is zonnig en warm tegen de zuidhellingen, maar de laatste sneeuw is nog niet gesmolten. Eekhoorns en blauwe kuifgaaien zijn niet schuw en volgen de wandelaars, ze zijn duidelijk uit op een hapje. Voederen mag niet: tweehonderdvijftig dollar boete voor overtreders! Het publiek is zeer gemengd: blanke Amerikanen, Aziaten – vooral Chinezen – Indiërs, maar er lopen geen zwarten tussen de wandelaars.
Op regelmatige plaatsen zijn toiletten voorzien en drinkfonteintjes. Het panorama is grandioos en woest; ijskoude watervallen storten zich met veel geraas in de diepte.
De lus brengt ons weer naar het beginpunt. We zijn dringend aan een warme douche toe; de laatste was nog in China ... ‘Curry Village’ – in het park voorziet warme douches voor de gasten van de camping; we schuiven mee aan in der rij.
In de supermarkt doen we nog wat aankopen voor vanavond. Op de terugweg naar onze camping staat er een file: er is een grizzlybeer gesignaleerd en iedereen wil dat zien. Langs de oever van de rivier loopt inderdaad een groot exemplaar, nog maar pas ontwaakt uit zijn winterslaap en hongerig op zoek naar voedsel. Eenmaal als de zon verdwijnt wordt het koud. We komen in het donker aan, leggen een vuurtje aan en beginnen meteen aan het avondeten: aardappelen, groenten en worst en een flesje Califoniawijn.
De koude lokt ons alweer snel naar de warmte van de slaapzakken.

02.05.2008: dag 292: San Francisco – Yosemite National Park




De nacht was koud en winderig. De slaapzakken waren net warm genoeg maar niet meer dan dat. Door de jetlag waren we al vroeg moe en in het midden van de nacht was iedereen alweer uitgeslapen. Bij het eerste daglicht maakt Sander het kampvuur. Een beetje verkleumd volgt de rest en warmen we ons op aan het vuur. De baai is nog nevelig. Een groot containerschip vaart onder de Golden Gate naar open zee. Vogels kwetteren in de cipressen. In het beekje stroomt een dun glinsterend stroompje ijskoud water; net genoeg voor een kattewasje. Koude melk en cornflakes en de rest van het brood is net genoeg voor wat ontbijt. Vanop een panoramisch uitkijkpunt hebben we een prachtig uitzicht op San Francisco, de baai en Golden Gate; een stroom auto’s schuift traag over de vier baanvakken naar de stad. Een aantal betonnen bunkers kijken uit over de baai. Na Pearl Harbour wilden de Amerikanen geen tweede onverwacht bezoek van Japanners aan San Francisco. We pakken al vroeg in; een paar aankopen dienen dringend te gebeuren; we gaan op zoek naar een draagbaar gasfornuis en adaptoren voor de batterijlader van het fototoestel en de laptop voor aansluiting op de sigarettenaansteker is de auto. In een grote campingwinkel en een radioshack vinden we de spullen die we nodig hebben. Onze boterhammetjes verorberen we op een bakje aan de Marine Boulevard met zicht op het beruchte gevangeniseiland Alcatraz.
We programmeren de gps met bestemming Yosemite National Park en rijden door downtown San Francisco, een nogal Europees aandoende stad maar met de typsiche Amerikaanse hoogbouw, de opvallende piramide van het XXXXXX en de bekende heuvels met de trams. Opvallend is dat we deze grote Amerikaanse stad in vergelijking met de Aziatische mastodonten als klein ervaren.
Automobilisten rijden zeer gediciplineerd, traag en houden zich stipt aan snelheidsbeperkingen en verkeersregels; wij imiteren en gaan het niet anders doen.
Dit is het land van de grote auto’s en snelwegen van minstens vijf rijvakken in iedere richting. Omdat automobilisten zo gediciplineerd rijden is het voor ons makkelijk om in het verkeer deel te nemen (met de hulp van vriendje gps natuurlijk). Openbaar vervoer lijkt helemaal afwezig. De honderdvijftig mijl gaan vlug voorbij over gladde wegen door een landschap van grote ranches, glooiende heuvels met grazende koeien en fruitplantages. Eenzame dorpjes worden aangekondigd met borden langs de weg het aantal inwoners; ‘Chinese Village: 50 inwoners’. Een truck met een volledig huis op de oplegger, omgebouwde SUV’s met enorme wielen steken ons voorbij; ja dit is Amerika ...
We bereiken het Nationale Park nog net voor het donker. Onze naam en staanplaats hangt op een affiche voor het raam van het onthaal. Alle plaatsen zijn volzet; gelukkig hebben we gisteren gereserveerd. Grote trailers en meterslange mobilhomes staan verspreid onder de bomen.
De tenten worden opgezet op een ruime standplaats onder de hoge sequoa’s, er staat een houten tafel met bankjes en een ijzeren ring voor het kampvuur en een barbecuerooster. Een afsluitbare kast voor de etenswaren. Een bord waarschuwt om geen voedsel achter te laten voor de beren en poema’s die in soms fourageren in de kampplaats en een signaal om de tenten ’s nachts gesloten te houden. Het gasfornuis ondergaat de eerste test, potten en panen worden neergezet en de eerste warme campingmaaltijd wordt klaargemaakt: spaghetti, en dat zal niet de laatste keer zijn.
In de campingwinkel kochten we een speciale plastic zak met kop die – gevuld met water - als mobiele douche kan gebruikt worden. Aan de toiletten zijn er gelukkig een paar kranen met ijskoud water. Een derde dag zonder douche voelt niet prettig meer. Overdag wordt het water met zonne-energie opgewarmd. Vanavond blijft het behelpen met het beetje koude water.
Een vriendelijk Amerkaans koppel bezorgt ons wat kampvuurhout zodat we ons wat kunnen opwarmen.
In het donker branden hier en daar nog wat vuurtjes maar als snel is het overal stil en kruipt iedereen in de tent of mobilhome. Ook wij zoeken de warmte van de slaapzakken op en kruipen dicht bij elkaar.

01.05.2008: dag 291: Beijing – San Francisco (bonusdag)




De landing in San Francisco verloopt perfect. Het is nog steeds 1 mei en de lokale tijd is half negen in de ochtend of ruim drie uur vroeger dan ons vertrek een volle dag geleden. We krijgen inderdaad een extra dag cadeau.
We zoeken het verhuurbedrijf Avis op. De auto staat klaar: een stoere Ford Explorer met zeven zitplaatsen, een groot bagageruim en een gevulde tank. Om stress op de Amerikaanse wegen te vermijden huren er we ook een gps bij. Sander, Ruben en Jasmien zijn enthousiast: hier hebben ze al maanden naar uitgekeken; Amerika is de droom die in eindelijk in vervulling gaat. Sander wil dikke Amerikanen zien en donuts eten, Ruben verwacht de beelden van grote steden herkennen die in vele films voorkomen en Jasmien kijkt vandaag al uit de de Golden Gate brug. Een beetje onwennig vertrekken we uit de luchthaven en rijden de brede snelweg op richting Golden Gate die we na enkele kilometers al oversteken. Aan de baai wacht de camping Kirby Cove, vlak aan het strand met zicht op de brug, De stem van de gps leidt ons feilloos naar de plaats van de camping tussen hoge cipressen en eucalyptusbomen en mooi gelegen aan de baai met het klassieke zicht op de Golden Gate en de skyline van San Fransisco op de achtergrond. Mountainbikers fietsen over de hellingen rond de baai en wandelaars volgen de paden tussen dennenbossen en lage taaie dwergdenneb in een jonggroen kleedje. Langs de weg zijn er verschillende uitzichtspunten en parking voor auto’s voor het ultieme zicht op de stad en de brug. Het lentezonnetje schijnt maar de nacht belooft koud te worden. Een paar rangers maaien gras en herstellen de paden na de winter. De grote zoemende hommels blijken colibries te zijn. Water om te wassen is echter nog niet voorradig en zelfs drinkwater is niet beschikbaar. De prijs van de staanplaatsen voor de tent moet wel volledig betaald worden. Geen service maar wel betalen: we zijn in de USA ...
Da’s natuurlijk een probleen als je zelfs je handen niet kunt wassen. In het hooggebergte van de Himalaja of de Tijgerspronkloof in China kun je zelfs douchen met warm water. Het rijkste land ter wereld kan zelfs geen kraantje aanbieden. Sausolito is de enige plaats in de buurt waar er drinkwater te koop is. Het is enige tijd zoeken vooraleer we in dit dure poppenstadje aan het water een winkel vinden waar water te koop is. Twee jerrycans drinkwater moeten ons voorlopig verder helpen. Nu ben je in het meest gesofisticeerde land in de wereld en moet je met de auto bijna een uur lang op zoek naar water alsof het een zeldzaam goedje is. We bezitten nog een gasvuur en behelpen ons voorlopig met brood en beleg, een gallon melk en een sixpack Budweiser. De prijzen in de supermarkt liggen zeker twintig percent dan in België. Toegang tot internet is blijkbaar ook niet meer vanzelfsprekend; in de jeugdherberg in de buurt mogen we – tegen betaling - twintig minuten surfen om de camping van morgen in Yosemite te reserveren; in Azië is er overal internet beschikbaar en gewoonlijk betaal je voor deze service niks.
Het wordt kil als de zon laag staat; een kampvuurtje warmt ons een beetje op. We zijn de enige kampeerders. De paar jonge mensen die deze namiddag petanque speelden zijn met hun auto vertrokken. Ruben neemt een koude douche onder het kraantje van de container drinkwater; de anderen verkiezen de douche van vandaag over te slaan. Je wassen met duur en schaars drinkwater is niet netjes.
Een muisgrijs oorlogsschip vaart door de baai en aan onze camping voorbij; bestemming Irak?
Onze eerste kennismaking met Amerika is er eentje met bijzonder veel gemengde gevoelens; we hebben al wat heimwee naar China ...

01.05.2008: dag 290: Beijing – San Francisco




We worden al wakker vooraleer de gsm om half zeven gaat biepen. Onder geen beding willen we de vlucht van 12 p.m. missen. Na een fletse rijstwaterpap, complementen van het airporthotel, worden we weer aan de vertrekhal van terminal drie gedropt. Er staat al veel volk aan te schuiven aan de incheckbalie van United. Onze zitplaatsen blijken in orde voor de vlucht van vandaag. De security van United haalt onsuit de rij voor een grondige inspectie van de bagage. Zien wij er dan zo onbetrouwbaar uit of was onze onaangekondige afwezigheid gisteren verdacht?
De jumbojet van United wacht aan de gate. De luchthaven van Beijing is nog maar pas geopend en ziet er fantastisch uit; alsof je in een gigantisch ruimte schip vertoeft. Sierlijk gebogen lijnen en ernorm groot en ultramodern.
Bij instappen volgt nog een laatste controle; schoenen moeten uit en iedereen wordt nog eens grondig gefouilleerd en gescand.
Omdat we onze eerste vlucht misten, zitten we alle vijf verspreid in het toestel. De vlucht van twaalf uur verloopt zonder ophef, boven Japan is er behoorlijk veel turbulentie in de luchtlagen. Verdeling van drankjes en een paar maaltijden door de nogal kortaangebonden stewardessen zijn de enige ophefmakende momenten tijdens de lange overtocht over de Pacific. Mijn Amerikaanse medereiziger ter rechterzijde vertelt me zijn levensverhaal; hij was op bezoek bij zijn Chinese vriendin.