woensdag 6 februari 2008

06.02.2008: dag 205: Pangandaran




De "mini"tsunami van 17 juli 2006 heeft diepe sporen nagelaten in Pangandaran; vierhonderd doden in een kleine vissersgemeenschap en de toeristische infrastructuur grotendeels verwoest. Hotels zijn terug hersteld of helemaal vervangen door nieuwe gebouwen. Aan het strand mag niets meer gebouwd worden. De visservloot is vandaag ondertussen vervangen door splinternieuwe blauwgeschilderde glasvezelkano’s met buitenboordmotoren. Waarschijnlijk een geste van de regering om het leed te verzachten.
Ons hotel werd eveneens door de nachtelijke vloedgolf overspoeld. In het restaurant verdronken enkele mensen toen ze gekneld geraakten tussen meubilair. In de kamers van het gelijkvloers reikte het water twee meter hoog. Oeps, we slapen gelijkvloers ... Samen met een handvol andere westerlingen zijn we de enige bezoekers aan het brede zandstrand. De zaken gaan slap. Zelfs de Indonesische toeristen wagen zich niet meer om hier op bezoek te komen; schrik voor "de oceaan die mensen meeneemt". Het is warm, de zon schijnt, de zee is kalm en mooie schuin rollende golven tot op het strand, maar zwemmen is verboden; er zijn verraderlijke onderstromingen en ieder jaar verdrinken er mensen. Tussen de zuidkust van Java en de Antarctica is er geen land meer en de oceaan beukt hard tegen de kust.
Sanders’ hiel doet nog steeds pijn, lopen gaat moeizaam; hij blijft in het zwembad van het hotel achter. We zullen namiddag zien hoe dat verder moet.
We laten ons met een bootje een eindje verder varen tot bij een wit koraalstrand. Deze kust is onderdeel van het nationale park; groene jungle die tot aan zee reikt. De golven worden enkele honderden meters verder in zee tegengehouden en gebroken door een rif. Het water in de baai is rustig en zwemmen is veilig. We spreken met de bootsman af om ons na en uur terug op te pikken. Grijze apen houden ons vanop takken in de gaten in afwachting om - in een moment van onoplettendheid – onze koekjes of fruit te stelen. De zon schijnt heet, maar onder bladeren van struikgewas is het koel. Ruben en Jssmien zwemmen.
Kristien gaat ’s namiddags met de becak of de fietstaxi naar het lokale ziekenhuis om de voet van Sander te laten onderzoeken. Een röntgenfoto brengt een haarscheurtje in het hielbeen aan het licht. Hij heeft een dreun van een terugslag gekregen van de duikplank aan het Tobameer, alsof hij van een hoge muur op de grond zou gesprongen zijn. Pillen om te ontzwellen en om kalkvorming te stimuleren en een steunverband voor de komende drie weken is zijn droeve lot. Lopen mag maar een trektocht in de bergen zit er voorlopig niet in ...
Kristien sukkelde al een paar dagen met oorpijn als gevolg van eenzelfde duik in het Tobameer. Een oorontsteking: een antibioticakuur moet dit leed doen ophouden.
We beschikken over een indrukwekkende verzameling nieuwe pillen.
Een avondmaal in het hotel en vervolgens wat spetteren in ons zwembad lijken behoorlijk veilige activiteiten om deze dag te besluiten. Gelukkig is er hier geen duikplank.

dinsdag 5 februari 2008

05.02.2008: dag 204: Garut - Pangadaran




We kunnen niet blijven suffen in ons gezond warmwaterbadje; de huid ziet er na een uurtje weken uit als een verrimpeld appeltje. Maar gezond is het wel naar ‘t schijnt.
We rijden opnieuw door het weelderige en regenachtige Java. Rechts van de weg ontwaren we het prototype van een vulkaan; perfect kegelvormig en omkruld met zilverkleurige nevels en lage wolken. Kleine boerendorpen liggen aan de basis; stenen huisjes met rode dakpannen tussen de rijstterassen en tuinen met exotische kruiden: rode pepers, vanillestruiken en kruidnagelbomen. Java is een specerijeneiland.
De Papandayamvulkaan is een kleintje maar momenteel de meest actieve vulkaan van Java. Dat treft: we zijn vlakbij en ze is nog makkelijk toegankelijk ook. Allicht: het grootste deel van de kratermond is eerder al eens weggeblazen en in 2002 zorgde een tweede uitbarsting voor een gigantische modderstroom. We ruiken de vulkaan al vanop grote afstand: zwavel en rotte eieren. De flanken zijn groen en vruchtbaar; er groeien duizenden groene en Chinese kolen. De oogst ligt op stapels langs de weg en wordt op vrachtwagens geladen.
Het busje wordt geparkeerd op een vierkant asfaltpleinje waar de weg eindigt. Eenvoudige eetstalletjes en souvernirwinkeltjes zijn met planken afgesloten; er zijn geen toeristen meer. In de verte zien we een bruingrijze landmassa tegen een helling waaruit witte wolken ontsnappen. Een wandeling van anderhalf uur met een gids die de veilige weg over de keien en opgedroogde modder kent, brengt ons tot vlakbij de kratermond. Goed oppassen: de grond is onstabiel, losliggende keien en gestolde lavabrokken maken het lopen moeilijk; Sander hinkt mee met zijn pijnlijke hiel. Naarmate we omhoog klimmen zien we pas de omvang en de gevolgen van de explosie en de grootte van de modderstroom; honderden zwartgeblakerde stammen van bomen steken als lucifertjes omhoog; ze werden in binnen enkele seconden herleid tot houtskool. Uit de grond gapen talloze openingen waaruit hete stoom ontsnapt. Kokend water borrelt op naar de oppervlakte en vormt plassen en stroompjes die splinternieuwe riviertjes worden in verschillende kleuren al naargelang de mineralen die vrijkomen uit de buik van de aarde. Verderop verschijnen gele gapende zwavelopeningen als muilen van draken. De zwavellaag vormt onregelmatige brokken zo groot als dikke keien. Het zijn minikraters die hete, giftige wolken naar de oppervlakte van de aarde spuiten.
De grond onder de voeten is veerkrachtig alsof je op een dikke matras loopt. De aarde wordt op deze plek opnieuw geschapen. We lopen in een omgeving van nauwelijks zes jaar oud. De buitenlucht is koel maar op deze plek is het heet en vochtig, het stinkt verschrikkelijk; de wind slaat de stoom in ons gezicht en prikkelt de ogen, keel en longen. Hier moeten we niet lang blijven. ‘Ground Zero’ is het kratermeer, groengrijs van giftige mineralen. Uit de groene brokkelige wand ontsnapt stoom. Het water in een andere vijver heeft de kleur van coca-cola. De afgelopen zes jaar is de kleur ieder jaar veranderd naarmate er andere mineralen in het water toegevoegd worden.
Langs de andere kant lopen we terug naar het dal. Varens en kleine struikjes schieten wortel tussen spleten en proberen als eerste de nieuwe omgeving te koloniseren. Binnen enkele tientallen jaren zal de natuur zich opnieuw hersteld hebben, klateren nieuwe heldere stroompjes en gaan gezinnen er picknicken in de schaduw van nieuwe bomen totdat de aarde zich ooit en onherroepelijk opnieuw zal roeren. De cyclus van vernietiging en herstel kan opnieuw beginnen. Geen mens die dit kan stoppen.
Een uurtje verderop ligt een merkwaardig dorp aan een rivier in een groene vallei, omgeven met rijsterrassen en kokosbomen. ‘Dragonvillage’, zo genoemd omdat je langs een slingerend paadje naar beneden moet om het te bezoeken. Het dorp met enkele tientallen witte huisjes op palen in bamboe en zwarte rieten daken is het enige nog resterende authentieke dorp van dit soort in Java. De huisjes staan dicht bij elkaar; de bewoners leven in een soort communne, werken samen op het land, delen de opbrengst van de oogsten en helpen bij herstellingen en bouw van de woningen. Er is geen elektriciteit en ’s nachts patrouilleren de bewoners om de veiligheid te waarborgen.
Op het dorpsplein staat een gemeenschapshuis en de moskee. Een houten uitgeholde boomstam doet dienst als tamtam ingeval van nood of een dringende oproep. Een vorm van communisme die blijkbaar al decennia lang werkt.
De weg naar het zuiden is nog onverwacht lang; drie uren over een bochtige en smalle weg door berg en dal. De kust van Java komt pas om half zeven in zicht vlak voor het donker. We vinden opnieuw een bed in een hotel met zwembad en dichtbij de zee. Of dat een goed idee is moet nog blijken; twee jaar geleden overspoelde een zes meter hoge tsunami Pangandaran en de kustzone.
Het zijn de dagen van “living dangerously” ...

04.02.2008: dag 203: Bogor - Garut



Gisterenavond contacteerde ons een jonge man die ons met een privébusje met chauffeur in twee dagen naar de zuidkust van Java kan brengen. Een Fransman doet mee en helpt ons zo de kosten voor een stuk te drukken. We hoeven ons morgen en overmorgen geen zorgen maken over vervoer, overnachting en eten; alles is inclusief en zal voor ons geregeld worden. Twee dagen reizen in stijl en onderweg zien we nog eens wat. We tekenen hiervoor.
Mooi op tijd vertrekken we voor de eerste attractie: een bezoekje aan een wayang-poppenmaker ergens in de buitenwijken van Bogor; een welkomstthee en een kijkje in het atelier waar honderden houten koppen gesneden, geschilderd en aangekleed worden. Leuk, maar daar zaten we niet op te wachten en een uur in de onvermijdelijke file was niet echt nodig.
Verder richting platteland, we verlaten de zwoele hitte en vorderen stilaan bergop naar de koele Puncackpas. De glooiende heuvels zijn bedekt met groene theeplantages. We strekken even de benen en maken een wandelingetje in de theetuinen. In de verte plukken vrouwen de jonge blaadjes.
Voor het eerst zien we een kaneelboom; het afgesneden stukje bruine schors ruikt naar pudding, appelmoes en speculaas. Ja zeg, moeten we nu hieraan herinnerd worden ...
Onze gids Harry zorgt goed voor ons en houdt woord: een uitgebreide satélunch met alles wat erbij hoort in een goed restaurant met uitkijk op de theevelden.
Via de ringweg mijden we de grootstad Bandoeng en bevinden we ons in een weelderig begroeid heuvellandschap met de typische terrasrijstvelden. Felgroene rijstplantjes staan in het water. Op andere velden staat de rijst hoog en is rijp om te oogsten. Uit een bergwand wordt onyx gekapt en vrachtwagens vervoeren traag de dikke blokken ruw materiaal. Steenkappers maken er mooi glanzende grafstenen van. Ze staan glimmend en met tientallen uitgestald voor hun werkhuizen. Links en rechts van de weg doemen in de verte de kegelvormige omtrekken op van twee grijze vulkanen. Zo zijn er nog enkele tientallen in het vulkaanactieve Java.
In de vooravond rijden we de inrit binnen van een hotel waar wij in normale omstandigheden langslopen wegens exclusief en niet-passend-in-het-budget. We krijgen een grote kamer toegewezen met een badruimte waar, in een groot vierkant bad onafgebroken warm bronwater stroomt dat verwarmd wordt door magma van de vulkaan. Via een overloop verdwijnt het uit de kamer. Vreemd zo’n eigen sauna op je kamer!
In het vijfentwintig meter openluchtzwembad kunnen we enkele baantjes trekken in het warme vulkaanwater met als achtergrond de groene heuvels, kokospalmen en de vulkaankegel. Het warme water maakt ons loom, lui en moe.
Harry zorgt voor het avondeten in een kleine ‘rumah makan’: een kopiemaal van deze middag.
Al bij al een leuke dag zonder dat wij daar enige inbreng in hadden. Harry belooft ons dat we morgen een actieve vulkaan gaan beklimmen. We pakken de rugzakken uit en leggen onze asbestpakken en brandvrije schoenen alvast klaar ...

zondag 3 februari 2008

03.02.2008: dag 202: Bogor



Bogor is bijna een voorstad van Jakarta geworden. Het is zondag is en vele weekendtoeristen uit Jakarta komen in een lange files naar hier afzakken om in karaokebars op zemelmuziek urenlang zo vals mogelijk te kwelen. De muezzins in de talrijke moskeeën laten zich niet onbetuigd en krijsen zes keer per dag, via sterke luidsprekers de bevolking tot gebed. Het drukke verkeer zorgt dat de kakafonie totaal is. Bogor is een levendig stadje ...
Er is echter een oase van rust: de weelderig tropische botanische tuin in het midden van de stad is een koel toevluchtsoord voor al diegenen die niet zo gek zijn om in de middagzon te winkelen of de drukte te trotseren. Sir Stanford Raffles begon met de aanleg van de tuin en de Hollanders breidden de tuin steeds verder uit tot een indrukwekkende verzameling planten en bomen uit de hele wereld.
Sander heeft aan het Tobameer zijn hiel gekwetst aan de springplank en blijft thuis. Ruben is geen fan van parken maar wandelt met Jasmien toch mee om in de groene long een kijkje te nemen.
Het zoölogisch museum, aan de ingang toont houten kasten waar achter glas een aantal muffe en bestofte opgezette vogels, zoogdieren en insekten prijken. Het geraamte van de enorme blauwe walvis is het enige opmerkelijke pronkstuk.
De tuin is groot, netjes onderhouden en iemand met interesse voor bomen en planten kan hier waarschijnlijk dagen zijn hartje ophalen. In de kruin van een hoge kale boom hangen ondersteboven - als grote bruine vruchten - honderden druk piepende ‘vliegende honden’. Bij zonsondergang fladderen ze uit op zoek naar fruit. Klasjes schoolkinderen maken een uitstapje. In het kader van de Engelse les vragen ze verlegen om een interview. We beantwoorden in ons beste Engels de stereotiepe vraagjes; zij noteren ijverig de antwoorden en houden enkele gsm’s voor onze neus om het gesprek nadien nog eens te beluisteren. Nog een gezamenlijke foto, handjes schudden; thank you! Zo dadelijk doen we het nog eens over bij een ander groepje. Er zijn niet zoveel toeristen in de tuin ...
Na een paar uren hebben we het hier wel gezien en brengen we een bezoek aan de CFC, of de ‘Californian Fried Chicken’. Hmm ... even goed als de unieke ‘Kentucky FC’, misschien is de kip krokanter maar rijst in plaats van frieten past niet en Pepsi zonder ijs is beter dan met ijs. Ja, we worden stilaan “conaisseur” in de wondere wereld van de fastfood ...
Kristien en ik laten pasfoto’s maken; we hebben ze nodig voor de nieuwe rijbewijzen.
De aanvraagformulieren kunnen nu ingevuld en naar huis verzonden worden. Als de post niet nat wordt en een beetje betrouwbaar is, kunnen we straks in Amerika auto rijden.
In de late namiddag begint het te regenen. Alle water vloeit naar Jakarta; ze zullen daar niet mee kunnen lachen ...

zaterdag 2 februari 2008

02.02.2008: dag 201: Jakarta - Bogor



Eén uur ’s nachts ...
We houden een minibusje aan. De chauffeur profiteert van de chaos en rekent ons meteen een drievoudig tarief aan om naar het centrum te rijden: de harde economische wet van vraag en aanbod ...
Ook dit busje geraakt nauwelijks een kilometer verder; het water verhindert elke voortgang: de motoren van de auto’s, vrachtwagens en bromfietsen zijn verzopen en versperren de ondergelopen weg. Negens in het duister is er een hotel te bespeuren. De chauffeur kan nog een U-bocht nemen en we rijden nu naar een andere hoger gelegen buitenwijk die niet door de vloed is getroffen, twintig kilometer verder. Het enige luxehotel in Tangaran heeft geen kamers beschikbaar en is ook volledig volgeboekt, zoals alle hotels buiten het centrum van Jakarta. Men kan ons niet helpen; we mogen op de zetels in de receptie wachten totdat en ’s morgens misschien een kamer vrijkomt. Het is twee uur in de nacht, we zijn moe en zien het niet meer zitten ... Wat doen wij hier in godsnaam ... ?
Kristien heeft blijkbaar haar beste invallen tijdens de nacht: we zouden meteen hoog en ‘droog’ naar Bogor kunnen verder rijden. Een taxichauffeur heeft een minibusje en is bereid ons anderhalf uur verder te brengen zonder dat we Jakarta moeten passeren, tegen een overeenkomstig ‘nachttarief’ natuurlijk. Wanhopige mensen betalen altijd meer ... Diep in de nacht volgen we kleine wegen die het zuiden van Jakarta omzomen. Kort voor het ochtendgloren bellen we aan in een ‘homestay’; een slaperige vrouw des huizes doet open en toont ons twee kale kamertjes met de lang verwachte bedden en een koude douche! Heeeeerlijk! Iedereen ploft neer en we slapen het stukje nacht door tot de late voormiddag. En dat het nu maar regent ...
Ik lees op ‘bbc-world’ dat het “de afgelopen drie dagen constant heeft gestortregend in grote delen van Java. In Jakarta, een mastodont van vijftien miljoen inwoners, staan de lager gelegen woongebieden onder water. Enkele tientallen zijn verdronken en tweehonderdduizend mensen zijn dakloos. Duizenden reizigers zijn gestrand. De oorzaak is een wilde bouwwoede zonder planning, typisch voor grote derdewereldsteden. De komende dagen wordt meer regen voorspeld ...”.
Het tv-nieuws toont de klassieke overstroomde beelden van Jakarta: mensen in rubberbootjes en huizen die tot twee meter in het water en de modder staan. Auto’s tot aan het dak in het water en inwoners met al hun hebben en houden op daken en balkons wachtend op beterschap.
Ik verwacht ieder ogenblik dat een bezorgd kijkende koning Albert gekleed in een loden jas en hoge groene rubberbotten wadend in beeld komt om de mensen een hart onder de riem te steken. Niks van, dit is geen nieuws voor het buitenland; dat de Indonesiërs het maar zelf uitvissen ...
Het is zondag en we schrijven onszelf vandaag een rustdag voor. Ons pension is OK: droog, een mooi terras, tafel en luie ligzetels. Koffie en thee gratis en naar believen. We weten vandaag de kleine dingen te appreciëren ...

01.02.2008: dag 200: Parapat - Jakarta



De gsm rinkelt ons om zes uur wakker. Parapat slaapt nog en ook in onze hotelreceptie is er om zeven uur niemand van dienst. Het ijzeren hek dat toegang geeft tot de uitgang is afgesloten met een hangslot. We kunnen ‘ontsnappen’ via een zijtrap als we de potten met planten van een muurtje halen, ze op de grond zetten en vervolgens over het muurtje wippen.
De taximan is te laat: hij zit nog aan de koffie als ik naar het kantoortje loop om hem te verwittigen dat we gepakt klaar staan.
Onderweg moeten we onze chauffeur regematig op enkele elementaire verkeersregels wijzen: niet te snel, geen dubbele doorlopende witte lijn overschrijden om in te halen, tegenliggers niet hinderen, oppasen voor kindjes langs de weg ... hij moet er telkens heel hard om lachen ... de idioot!
Medan blijft een verschrikkelijke chaotische stad en ik plaats ze met stip op één als ‘meest te mijden plaats in Azië’.
We zijn ruim op tijd als we uitstappen in ‘Medan Polonia Airport’ midden in het centrum van de stad. De luchthaven werkt maar op halve kracht: een tijd geleden heeft een vliegtuig verkeerdelijk het dak van de plaatselijke KFC als landingsbaan gekozen en zich vervolgens in de terminal geboord. De resten zijn zwartgeblakerde resten muur en stukken verwrongen staal. De Stichter-Met-Het-Strikje lacht nog even vrolijk op de affiche tussen het puin. Een inderhaast opgetrokken hangar doet nu dienst als ‘Domestic Airport’. Het is er verdacht druk: honderden mensen proberen in te checken bij de verschillende prefab-balies. Dit ziet er niet goed uit .. en inderdaad, ons optimisme wordt al meteen de kop ingedrukt als het Air Asia-meisje met de vuurrode polo bij het inchecken vertelt dat ons vliegtuig een vertraging van onbepaalde tijd heeft: de inkomende vlucht uit Jakarta is zelfs nog niet vertrokken omdat de luchthaven aldaar gesloten is wegens het slechte weer, beter nog: Jakarta Airport staat onder water en geen enkel vliegtuig stijgt er op of kan er landen. Ze vertelt het met zo’n brede oriëntaalse smile dat je er niet om kunt kwaad worden. OK. da’s duidelijk, dan wachten we toch gewoon de hele dag ... “Thank You very much!”
Dit wordt dus weer een lange dag! Gelukkig is er een tweede onbeschadigde KFC aan de overzijde bij de ingang van de luchthaven langs het benzinestation en behoorlijk ver van een landingsbaan. Dit wordt onze stek voor de komende uren wachten en we moeten ook niet ver lopen voor een stukje kip.
Nadat we meer dan genoeg verteerd hebben in onze KFC, biedt Air Asia ons een sorrypakket aan bestaande uit een volledige avondmaaltijd.
Het vliegtuig vertrekt uiteindelijk dan toch om half zeven, we zien de zon nog net achter de horizon verdwijnen en na een twee uur durende vlucht over Sumatra landen we op de schoongemaakte ‘Sukarno Hatta’ luchthaven van Jakarta. De lucht wolkenloos en helder.
We zijn er dan toch eindelijk!
Er wacht ons nog een zeer onaangename verrassing; Jakarta is onbereikbaar: de afgelopen paar dagen heeft het onophoudelijk geregend en de wegen van de luchthaven naar het dertig kilometer verre centrum zijn geblokkeerd door een gigantische lange stilstaande file. Het is niet mogelijk! Samen met duizenden reizigers zitten we geblokkeerd in de aankomsthal wezenloos en moedeloos voor ons uit te staren. Aan de uitgang wachten nog eens honderden reizigers op vervoer dat niet komt opdagen. Er zijn geen bussen of taxi’s naar de stad, alle taxi’s en bussen zit ergens vast; we moeten wachten maar niemand weet hoe lang; chaos heerst, er is geen informatie. Alle hotels in de wijde omgeving van de luchthaven zijn volgeboekt omdat de stad onbereikbaar is. Ik loop alle luchtvaartmaatschappijen af op zoek naar een vlucht naar eender waar in Java, maar ook hier vang ik bot: vliegtuigen vertrekken niet meer, vluchten zijn afgelast of zitten vol tot morgenavond. Welkom in Java! Wat een doffe ellende!
Een bus van ‘Garuda Airlines’ vertrekt naar een busterminal aan de rand van Jakarta; we mogen gratis mee en hopen elders een hotel voor de nacht te vinden. We rijden al meteen door bruin water dat op plaatsen een halve meter hoog staat en de huizen binnenstroomt. Mensen waden kniehoog en wijzen het verkeer doorgangen op de weg die door het water niet mee zichtbaar is. Auto’s en brommers geraken moeizaam verder en al gauw staan we stil in een enorme file en ver van het busstation. Iedereen verlaat de bus en probeert op eigen kracht en te voet een vervoermiddel te vinden. We volgen met onze rugzakken de mensenstroom langs een donkere vierbaansweg tussen het stilstaand verkeer en wanhopig toeterende bestuurders ergens in een naamloze buitenwijk van Jakarta. Brommers en auto’s staan stil in een eindeloze verkeerschaos in het water op en langs de weg. De bestuurders zitten langs de baan gehurkt te wachten. Nergens is er politie of brandweer te bespeuren; zitten waarschijnlijk ook vast. Het is ondertussen middernacht; een complete nachtmerrie! Hoe geraken we nu nog weg of terug? Dit ziet er niet goed uit! We zitten als ratten in de val.

31.01.2008: dag 199: Tuk Tuk - Parapat


We moeten vandaag kiezen: vanuit Tuk Tuk rechtstreeks met boot en daarna de publieke bus terugrijden naar Medan en aldaar overnachten in afwachting van onze vlucht morgenmiddag naar Jakarta, of met de boot naar de overzijde van het meer varen tot het havenstadje Parapat, er overnachten en morgenvroeg met een gehuurde wagen ineens naar de luchthaven van Medan rijden.
De kinderen rillen nog van de ervaring enkele dagen geleden met de boemelbus zonder verluchting en willen dat onder geen beding een tweede keer overdoen. We besluiten dan maar om het grootste deel van de dag in ons mooie Catharina hotel en het Tobameer door te brengen. In de late namiddag komt de ferry aan en na een half uur meert de boot aan in Parapat, een groezelig en rommelig havenplaatsje niet veel groter dan een dorp met een paar straten, wat fruitstalletjes aan de haven onder plastieken zeilen tussen waterplassen. Verroeste minibusjes op zoek naar klanten rijden af en aan door de smalle straten. De lucht is warm en betrokken, nu en dan druppelt het; het komt de sfeer in Parapat niet ten goede.
We worden omringd door chauffeurs die ons naar Medan willen rijden, de zaken gaan bijzonder slap en binnen enkele minuten hebben we een ticket voor een redelijke prijs op zak voor een privérit morgenochtend: in vier uren linea recta naar Medan airport in een airoco monovolume!
We vinden een hotelletje dat bij de sfeer van Parapat past; we hebben meteen heimwee naar Tuk Tuk en Carolina.
Toeristenwinkeltjes met vrolijke zomerse textielspulletjes, souvenirs van houten batakhuisjes, en ander houtsnijwerk trekken geen klanten. De eigenaars en verkoopsters zitten op krukjes lusteloos te wachten op klanten die er niet zijn; er is geen toerist te bekennen in Parapat. Het is een triest zicht! De enkele volkse restaurants serveren eenvoudige gerechten: rijst, pikante soep, gedroogde vis aan een kale tafel tussen kale muren. Je moet al veel honger hebben om naar binnen te gaan.
Eenmaal donker valt het leven grotendeels stil, winkeltjes sluiten, de spaarlampen in paar ‘rumah makans’ of eethuisjes blijven nog branden. In de verte, aan de overzijde van het meer op Samosir zien we de lichtjes branden van het ‘Carolina hotel’. De Hollanders zijn nu bezig met het avondeten en kijken naar de lichtjes van Parapat.